Achtergrond
De Stichting ODI/VDV behartigt de belangen van inspectiebedrijven en vertegenwoordigt deze bedrijven gericht op bodembeschermende voorzieningen.
Belangrijkste aandachtspunt is het verbeteren van de uitvoering van de inspecties vloeistofdichte voorzieningen. Sinds 2011 zijn ook bedrijven aangesloten die zich bezig houden met inspecties van ondergrondse tankinstallaties. Op deze pagina vindt u de geschiedenis van de Stichting ODI/VDV. Ook beschrijven wij de historie van bodemverontreiniging in Nederland.
Ontstaan Stichting ODI/VDV
Belanghebbenden richtten op 15 april 1996 Stichting ODI (Onafhankelijke Deskundige Inspecteurs en adviseurs) op. Aanleiding was de toenemende behoefte aan aantoonbare onafhankelijkheid en deskundigheid van inspecteurs en adviseurs. Vier jaar later ging ODI samen met Vabor/VDV dat zich op dezelfde branche richtte. Dit leidde tot de oprichting van de Stichting ODI/VDV. Die stichting groeide het afgelopen decennium uit tot het belangrijkste orgaan voor inspectiebedrijven. Daarom zijn bijna alle inspectiebedrijven aangesloten bij de stichting.
Sinds 2011 zijn ook bedrijven, die actief zijn in inspectie van ondergrondse tankinstallaties, aangesloten bij Stichting ODI/VDV. Werkzaamheden van deze bedrijven zijn immers min of meer soortgelijk aan die van de ODI/VDV-deelnemers. Beide moeten bovendien geaccrediteerd zijn om inspecties te mogen uitvoeren. Met de komst van nieuwe Europese normen en richtlijnen, was aansluiting dan ook een logische stap. Stichting ODI/VDV heeft haar nut het afgelopen decennia immers bewezen. Zo was de Stichting ODI/VDV nauw betrokken bij de ontwikkeling van documenten die aan de oorsprong stonden van bodembescherming, zoals Kiwa/PBV-Rapport 98-01 en NRB en PBV.
De geschiedenis van bodemverontreiniging
Deelnemers in Stichting ODI/VDV helpen met hun inspecties bodemverontreiniging te verminderen en zelfs te voorkomen. Daar ligt de kern van hun werkzaamheden. Bodemverontreiniging is sinds de gouden eeuw en mogelijk al veel eerder een thema. In die eeuw bestonden al meerdere chemische bedrijven. Sinds de komst van de commerciële benzinepomp in 1920 nam de verontreiniging toe. Hoe meer de welvaart in de jaren daarna groeide, hoe meer bodemgevaarlijk afval in het milieu terecht kwam.
Bodemverontreiniging was lang geen onderwerp van gesprek. In de jaren zestig van de vorige eeuw sprong de maatschappij nog heel makkelijk om met afval, zelfs met chemisch afval. De woningnood speelde daarbij een rol. Omdat de vraag naar bouwgrond zo groot was, gebeurde het dat op voormalige vuilstortplaatsen huizen verrezen. Met alle gevolgen van dien. Lekkerkerk is wat dat betreft een goed voorbeeld. Bij de stort van het afval had niemand rekening gehouden met de effecten die het afval op het bodem- en leefmilieu zou hebben.
Vanaf de jaren tachtig veranderde het denken. Toen bleek dat chemisch afval complete waterleidingen, funderingen en rioleringen aantastte en dat bewoners daardoor ziek werden. De maatschappij ontdekte dat het simpelweg onder de grond stoppen van afval niet de oplossing is. Met de Wet bodembescherming werd in 1987 de eerste wetgeving van kracht. Belangrijk onderdeel is het begrip ‘zorgplicht’: degene die de bodem verontreinigt, is ook verantwoordelijk voor het schoonmaakwerk.
Nederlandse wetgeving
De Wet bodembescherming stelt dat je de bodem niet mag verontreinigen. Als je dat wel doet, moet je het opruimen. Er staat niet hoe voorkomen moet worden dat de bodem wordt verontreinigd. Hiervoor bestaat pas sinds 1990 wetgeving. Sinds dat jaar is het ‘Besluit herstelinrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer’ van kracht, gevolgd door het ‘Besluit tankstations voor het wegverkeer milieubeheer’ in 1994. Deze besluiten, die inmiddels zijn vervangen door het Activteitenbesluit, bepaalden tot 2006 dat betrokken bedrijven voorzieningen moeten treffen op plaatsen waar milieuonvriendelijke stoffen kunnen doordringen tot bodem en/of grondwater. Volgens het Activiteitenbesluit moeten de betrokken bedrijven zogenaamde vloeistofdichte en vloeistofkerende vloeren (laten) aanbrengen. In 1997 is een specifieke richtlijn voor bodembescherming opgesteld, de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten die is herzien in 2012. In 2024 heeft de Nederlandse richtlijn bodembescherming plaats gemaakt voor een heel nieuw document; Bodembescherming: Combinaties van Voorzieningen en Maatregelen (BB-cvm).
Bedrijven hebben destijds dankzij CUR/PBV-aanbeveling 44 duidelijkheid over wanneer een voorziening vloeistofdicht of vloeistofkerend is. De voorloper van de Stichting ODI/VDV heeft een rol gespeeld bij de totstandkoming van deze aanbeveling. Daarin staan concrete criteria voor de beoordeling van de vloeistofdichtheid van in gebruik zijnde vloeren en verhardingen en daarmee samenhangende voorzieningen. De aanbeveling stelt onder meer dat een onafhankelijke deskundige inspecteur dit moet beoordelen. De onafhankelijke inspecteur moet werkzaam zijn bij een inspectie-instelling welke een erkenning en een accreditatie heeft om de inspecties te mogen uitvoeren. CUR/PBV-Aanbeveling 44 werd inmiddels vervangen door een nieuw inspectieschema met bijbehorende protocollen dat onder de naam AS 6700 en wordt beheerd door SIKB.

